De sluipvliegen vormen een grote familie, waarvan in Nederland 328 soorten zijn vastgesteld. De meeste soorten zijn te vinden in de vegetatie, maar enkele soorten komen ook graag op bloemen. De maden leven parasitair vnl. in rupsen en de larven van bladwespen (bastaardrupsen). De meeste sluipvliegen leggen hun eieren direct op de gastheer, maar in andere gevallen worden de eitjes in de nabijheid afgezet. De larven worden dan met het voedsel mee opgenomen of kruipen actief naar het slachtoffer toe. In bijna alle gevallen overleeft de gastheer dit niet. Verpopping vindt meestal buiten de gastheer plaats.
Het lichaam van de meeste sluipvliegen is met vele borstels bezet, vooral die op het borststuk en op het eind van het achterlijf zijn opvallend. Deze borstels komen echter ook bij andere vliegenfamilies voor. Een eenduidig kenmerk voor de sluipvliegen wordt gevormd door het postscutellum. Dit is een soort tweede schildje onder het bovenste schildje. Bij Dinera ferina is het schildje goed zichtbaar als een half maantje tussen beide vleugels, het borststuk en het achterlijf. Het postscutellum is in het veld echter niet waarneembaar.
Dexiosoma caninum (Fabricius, 1781)
Dinera ferina (Fallén, 1817)
Eriothrix rufomaculata (De Geer, 1775)
![]() Ermelo, 19-7-'03. |
Gymnosoma nudifrons Herting, 1966
Gymnosoma rotundatum (Linnaeus, 1758)
Phasia aurigera (Egger, 1860)