In Nederland zijn zestien soorten spinners vastgesteld. Over het algemeen zijn het grote, nogal plompe, nachtvlinders. Ze zijn overwegend geelbruin tot roodbruin gekleurd en de mannetjes hebben opvallend geveerde antennen, waarmee ze de vrouwtjes tot op enkele honderden meters kunnen opsporen. Door hun vorm en kleur lijken de rustende vlinders veel op dode bladeren. Enkele soorten zelfs zo sterk dat ze hun Nederlandse naam hier aan danken, zoals o.a. het eikenblad (Gastropacha quercifolia) en het populierenblad (G. populifolia). Van twee Nederlandse soorten kan men de mannetjes overdag, in de namiddag, zien vliegen. De hagenheld (Lasiocampa quercus) laag boven de heide en de veelvraat (zie onder) iets hoger op bv. open plaatsen tussen de bomen als een klein vleermuisje. Hun vlucht is zeer snel en grillig. Volwassen dieren eten niet.
Lasiocampa trifolii ([Denis & Schiffermüller], 1775) kleine hagenheld
Macrothylacia rubi (Linnaeus, 1758) veelvraat
Dendrolimus pini (Linnaeus, 1758) dennenspinner
Euthrix potatoria (Linnaeus, 1758) rietvink (drinker)


Alle foto's: © 2003-2006 Han Endt.
Vragen, opmerkingen: hanendt@yahoo.co.uk
Deze pagina is aangemaakt op 1 mei 2005 en voor het laatst gewijzigd op 28 oktober 2006.